4528 titels gevonden (Nummers 1 tot en met 8 worden weergegeven)
Geen (flap)tekst beschikbaar
De Dolende Man lezen, de ik-figuur volgen in zijn verwoed kappen van het woud strohalmen, is een harde confrontatie met de verwarrende tijdgeest. Dat gebeurt op een stijlvaste, strakke, soms poëtische manier. Bakker dikt in, schrapt, wordt nergens breedsprakig. Wat over blijft is een transparant geheel dat zich als ‘filosofisch reisboek door het leven’ heerlijk laat weg lezen. Tegenover de ingetogen taal staat een uitbundige thematiek. In een naadloos op elkaar aansluitende reeks observaties, anekdotes, herinneringen, overpeinzingen en verzuchtingen wordt ons alledaagse hemd ontrafeld tot losse draden. De geestelijke kou die velen deze dagen voelen wordt pijnlijk herkenbaar. In het eerste deel, geschreven op Cuba, moet het ‘alle varkens gelijk’ eraan geloven en krijgt ‘en passant’ de taal als leugen ervan langs. Daarna worden in ‘Het Vrije Westen’ onze vluchtwegen naar schijngeluk op een vileine manier ontmaskerd. Het laatste deel reserveert Bakker voor zijn in Rome en Jeruzalem geschreven afkeer van het valse licht der monotheïstische godsdiensten. In het alles symboliserende en samenvattende, bij vlagen hallucinerende slot staat Bakker zich die ene handreiking toe en ontdekt hij de identiteit van de man die hem het hele boek volgt. Over schoonheid en troost gaat De Dolende Man niet. Een hapklare brok is het evenmin. Maar fascinerend is het boek zeker. Bakker moet worden nagegeven dat hij op een sterke manier voorkomt dat de aangesneden problematiek, die van nu is en tegelijk van alle tijden, niet heeft geleid tot een ‘zwaar’ boek. De Dolende Man blijft op een vaak humorvolle manier licht genoeg van toon. Theo Bakker (Oegstgeest, 1951) is (sport-)journalist en schrijver. Zijn vakgebieden zijn tennis en voetbal. Voor NOS Radio volgde hij de generatie Haarhuis/Eltingh/Siemerink/Krajicek op de voet. Met laatstgenoemde schreef hij twee boeken: Netpost en Honger naar de Bal, een collage interviews met sporticonen als Cruijff, Rijkaard, Van den Hoogenband en Ritsma. Jarenlang produceerde hij columns voor diverse media. In 2001 verscheen van zijn hand de dichtbundel Toch daagt het weer, waarvan Komrij het gedicht ‘Debielocratie‘ opnam in zijn bloemlezing ‘Nederlandse Poëzie’.
‘De huid is oorspronkelijk geschreven toen ik achttien was.
Het is in fragmenten teruggevonden bij de laatste verhuizing.
En gereconstrueerd.
De confrontatie met dit stukje verleden was schokkend.
Door alles heen loopt een komen en gaan van huidziektes, die je jeugd vergallen en je nog onzekerder maken dan je al bent op die leeftijd.
Je voelt je uiteindelijk gevangen in die rottige huid, en je wilt ontsnappen. Uit je eigen lichaam.
Je ontdekt je eerste seksualiteit, je weet er geen raad mee door die nare huidkwalen. Wanhopig probeer je van alles.
Door kleine verhalen te schrijven lukt het een droomwereld te scheppen. Dat geeft troost, maar verwart nog meer.
Het liefdesleven is een chaotische reeks ontmoetingen met van alles en iedereen. Met hetero-Ted naar bed? Oké! Maar hem zoenen was taboe. Zo ongeveer was mijn leventje.
Tot Hans verscheen, een echte liefde, maar onbeantwoord.
Mijn overleden broer Hans maakte de verwarring compleet.
Ik verloor de strijd tegen de twee Hans-en, en liet mijn broer winnen, wetend dat ik altijd verloren zou staan.’
Dat was A niet gewend, dat een voorstel van hem zo makkelijk werd aangenomen. Zo was het ook helemaal niet leuk. En meende Reus het eigenlijk wel? A was nog steeds in verwarring.
Daar maakte Reus wel even een eind aan: ‘Ik hou niet van discriminatie. Negers en gorilla's zijn wat mij betreft compleet gelijkwaardig. Kijk, dat ze het vervelend vonden slaaf te zijn, dat zal best, maar nu kunnen ze toch wel weer aan het werk, hoor!’ Reus wachtte op de uitwerking, maar A was te verward. Te veel prikkels, dat was zijn oude probleem, daar kon hij niet tegen. Reus zuchtte. ‘Ja A, ik zie er wat in, want,’ hij zakte in geluidsniveau, was nog maar moeilijk te verstaan, ‘misschien is het je niet opgevallen; ik ben ook racist. Ik zie het echt helemaal zitten, het wordt gewoon tijd dat we eens flink incorrect in het rond gaan schoppen. Jaren mochten we ze niet uitschelden, terwijl dat eigenlijk heel normaal is. Belgen en Limburgers schelden we toch ook uit? Er is gewoon enorm veel goed te maken. En weet je, dat is nog nuttig ook. We bewijzen het land er een dienst mee. Met zo’n boek wordt er stoom afgeblazen. Het voorkomt een burgeroorlog.’
Het Hage-syndroom was er al voor mijn geboorte, maar openbaarde zich voor het eerst tijdens een reisje naar Parijs, met twee vrienden en een vriendin.
Het plezierreisje werd door het abrupte uitbarsten van het Hage-syndroom een hellegang.
De angst omhoog te vallen, van de aarde af, blijkt me levenslang te achtervolgen. Maar er valt mee te leven, met zware boodschappen-tassen, en een petje op, met een erg grote klep.
Bij het syndroom hoort ook de angst opgesloten te zijn, er niet meer uit kunnen.
Ontstaan in de baarmoeder: schoppend: ik wil er uit!
De geboorte was traumatisch: de navelstreng rond mijn nekje: ik stikte bijna. Vloekend kwam ik ter wereld: help me godverdomme.
Drijvend in het vruchtwater uitgeperst worden in de wereld, omgeven door lucht i.p.v. water. Het komt overal in terug:
In het bijna verdrinken op jonge leeftijd, het in het diepe van een zwembad duiken. Het naar boven komen drijven, naar het licht toe.
Het weer kunnen ademen.
Soms ook wat absurde bijverschijnselen: in een w.c. mag de deur
niet op slot: een kleine w.c., op slot gedaan, is een staande grafkist..
Tussen alles door een zeer levenslustig relaas van de vele, zeer vele,
vrienden, vriendjes, lovers. Tot John in mijn leven kwam, en ik passie en hartstocht leerde kennen. Hij verdween te snel terug naar Amerika.
Mij in wanhoop achterlatend. Het Hage-syndroom sloeg definitief toe.
Voor de benedictijner wijsgeer Anselmus (1033-1109), aartsbisschop van Canterbury, kwam het geloof altijd op de eerste plaats. Eerst en vooral het geloof, vervolgens doen we ons best om dat enigermate te begrijpen was zijn stelling. Hij dankt zijn bekendheid vooral aan een opmerkelijk en heel curieus godsbewijs, met een zeer ingewikkelde en moeilijk te doorgronden argumentatie. Hij deed hiermee een vermaarde poging om het bestaan van God aan te tonen enkel en alleen op basis van ‘een godsdefinitie’ of van ‘een godsbegrip’, zonder uit te gaan van de waarneembare werkelijkheid, en zonder het geloof als uitgangspunt te moeten nemen. Over zijn bewijsvoering werd in de loop der eeuwen en tot op heden hartstochtelijk gefilosofeerd. Door sommigen werd die bewijsvoering de hemel in geprezen, recentelijk nog door de Nederlander Willem Herman Stenfert Kroese, die daarbij sprak over een “dazzling darkness” (een schitterende duisternis). Anderen hebben echter het betoog van Anselmus als waardeloos bestempeld en van tafel geveegd, waaronder niemand minder dan de beroemde theoloog-filosoof Thomas van Aquino, terwijl Immanuel Kant de bewijzen van Descartes en Leibniz grondig bekritiseerd en van tafel geveegd heeft maar, in strijd met wat doorgaans aangenomen wordt, het ‘volstrekt andersoortig bewijs’ van Anselmus (‘met een volstrekt andere inhoud en een volstrekt andere structuur’) nooit blijkt gezien nog gelezen te hebben. Ook Mattias Vanderhoydonks heeft meerdere boeken aan de theorie van Anselmus gewijd. In zijn nieuw boek overtreft de auteur zichzelf. Beperkte hij zich in vorige uitgaven nog tot een grondige analyse en weerlegging van de godsbewijzen en van het elfde-eeuwse raadsel van Anselmus, in dit boek wijst hij op een “fatale taalkundige valstrik” in het werk van de filosoof. Wordt hiermee een belangrijk hoofdstuk afgesloten? Belangrijke bijval voor zijn stelling kreeg de auteur van niemand minder dan de toonaangevende filosoof Jaap Kruithof (Rijksuniversiteit Gent, Vrije Universiteit Brussel en Universiteit Antwerpen) en filosoof Hubert Dethier (Vrije Universiteit Brussel en Universiteit van Amsterdam), die het boeiende voorwoord van dit boek schreef. Vanderhoydonks’ uiteenzetting, die een voorbeeld is van logisch denken, wordt in deze editie, behalve in acht Europese talen, in het Turks, Russisch, Arabisch en Chinees gepubliceerd. Met zijn boeken richt de auteur zich tot lezers die aan de ene kant geïnteresseerd zijn in wat men sinds Kant onder “ontologische godsbewijzen” verstaat en aan de andere kant in de problemen die zich voordoen op het terrein van logisch denken, in het bijzonder in het overlappende gebied tussen wijsbegeerte en taal.