1904 titels gevonden (Nummers 937 tot en met 944 worden weergegeven)
Prijs Euro 19.95
Zoals te verwachten valt van een consciëntieus bloemlezer als Gerrit Komrij – die met zijn allereerste bloemlezing uit de Nederlandse poëzie, in 1979, een bom in de vaderlandse letteren deed ontploffen – zit deze anthologie boordevol verrassingen. De 1000 en enige kindergedichten zijn niet alleen afkomstig uit de ivoren toren of van de lessenaar van de schoolmeester, maar vooral ook van de straat en uit het dagelijks gebruik. Naast de gecanoniseerde poëzie van Hiëronymus van Alphen, Annie M.G. Schmidt en Willem Wilmink bevat de bundel onbekende bakerversjes, abecedaria, aftelrijmpjes en nonsensgedichten. Voor de oude poëzie toont Komrij zich een archeoloog en schatgraver: in de nieuwste tijd, waarin de kinderpoëzie explosief is losgekomen, wijst hij kundig en eigenzinnig de weg in het literaire woud. Vergelijkbaar met The Oxford Book of Children’s Verse van Iona en Peter Opie – dat al jaren herdruk op herdruk beleeft – verschijnt dan nu eindelijk Komrijs standaardwerk voor volwassenen van alle leeftijden, hoe jong ze ook zijn.
Zilveren griffel 2008
Lees deachterkant
Het universum van Komrij's bizarre, weemoedige, virtuoze, surrealistische poëzie wordt bevolkt door schone jongelingen, fabeldieren, en bovenal het besef van de allesoverheersende sterfelijkheid. Spaans benauwd is een voortzetting van de vaste thema's en vormen uit het werk van Komrij. De toon is echter grimmig en uit alles blijkt dat hij het komische intermezzo van de Dichter des Vaderlands weer hoog en breed achter zich lijkt te hebben gelaten.
Het is zoals de dichter zelf onlangs in een interview met het tijdschrift Awater verwoordde: `Ik ben een natuurtalent. Ik schrijfgedichten uit de losse pols. Dat betekent niks - en dus alles. Ik moet er alleen maar wat van zeggen omdat me dat gevraagd wordt. Ik ben niet van plan om de slaaf te worden van een of andere theorie die mensen mij aanpraten, of die ik mijzelf aanpraat. Mijn gedichten geven aan hoe ik mij verhoud tot de wereld. Wat heb je eraan als de dichter geen maatschappelijk, maar alleen een zielkundig verschijnsel is?'
Wat hebben jullie van de dood gezongen, Wat verkochten jullie mijn liefdevolle Citroenen voor een handvol Tollensknollen! Niet iedere aap heeft mooie jongen.
De Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij start in samenwerking met Uitgeverij 521 een nieuwe poëziereeks. In deze zogeheten Sandwich-reeks manifesteert Komrij zich als ontdekker van talenten en vergeten of verwaarloosde dichters. De komende vijf jaar verschijnen twintig genummerde, gebonden delen. De eerste twee delen zijn sinds 26 november beschikbaar. . De Sandwich-reeks is bedoeld voor poëzieliefhebbers die zich willen laten verrassen in de keuze van Komrij en die graag auteurs willen leren kennen waar zij zelf geen toegang toe hebben. Werk dat voor velen onbereikbaar is (de zgn. vergeten dichters) wordt nu weer voor een groot publiek beschikbaar gemaakt. Daarnaast is het plaatsen van een debutant in een reeks als De Sandwich-reeks een manier om aan een groot publiek te laten zien welk talent er in het Nederlands taalgebied rondloopt.
Niets met jou
Sinds ik schrijf dat jij alles bent is het ook zo, het bewijs van wat niet bewezen hoefde te worden
Onbegrijpelijke hoe die tekens mij doen begrijpen, alsof ik licht maak in een vreemd en donker huis en roep: ja dit is het, hier wil ik wonen slapen sterven, maar liefst - als het kan liefste - niet te veel leven, rustig aan, op een wachtende wijze.
Met jou, alles met jou, en heel veel niets met jou.
Met zijn nieuwe dichtbundel Toen ik dit zag, de eerste in vier jaar, zet Rutger Kopland dát voort waaraan hij zijn faam te danken heeft: het in kaart brengen van de ruimte tussen onszelf en wat wij waarnemen. Zoals bekend raakte Rutger Kopland eind 2005 betrokken bij een auto-ongeluk, waarvan hij gelukkig herstelde. Niettemin maakte deze gebeurtenis een diepe indruk op hem. Het zal zijn vele duizenden bewonderaars dan ook niet verbazen dat hij in zijn nieuwe, veertiende, bundel des te sterker aandacht heeft voor wat zijn latere werk kenmerkt: proberen de wereld te zien zoals deze zijn kan zonder dat wijzelf er zijn. In een nauwkeurige schouwing van jeneverbes, merel, nacht, roeiboot en vertrouwde tuin wikkelt Kopland kluwen af van hetgeen hij ziet totdat er een ware gedaante is. In een detailstudie van de koe, naar aanleiding van een serie schilderijen van zijn broer Jaap, komt de lezer steeds dichter bij de dag en de avond zoals die kan zijn in de ogen van dit dier. En kijkend naar Rembrandts beroemde schilderij van zijn peinzende zoontje Titus legt Kopland het moment vast waarop Titus denkt aan iets dat niet geschreven kan worden. Hij verlaagt het tempo van de lezer, waardoor diens blik zich verdiept en waarmee hij zijn ruimte vergroot
In deze bundel zijn de volgende gedichten opgenomen: G, ik schreef een gedicht over jouw gezicht, Ik heb het je toen voorgelezen G, Als je mij dan eindelijk zou kennen, ik, Soms was het tussen ons zo gezellig G, als, Wie zal de vriend zijn van mijn vriendin, Het leven met jouw, wat was dat voor leven. Nu, Soms bij het zien, bij het zien van een rij, Het komt van het kpude gras aan de voeten, Die dagen met jou G, ze smaakten heel hevig, Omdat we van onszelf geen huis zijn, Schilderij I, II, II, IV, Winter van Breughel, de heuvel met jagers, Er moeten hier toch mensen wonen, ik luister, Eenzame G, ik heb je toch weer bezocht, we hebben, Breyten, Geen gezicht geen handen, geen haar, en altijd, Vader, ik zie je gezicht weer, jaren, De rug van een hond die al weet, Lichaam van een vrouw dat verlangt, Zoals de pagina’s van een krant, Misschien is het ook wel dit, zeg je, Weer naar het Huis, want het moet van, Over het maken van een gedicht.
Geen gezicht, geen handen, geen haar, en altijd een ander. Het is weer de geur van een vreemde mantel, zo dichtbij als die geur, maar ook zo onzichtbaar, ook zo voorbij. Ik kijk naar de hei,
naar de mistige, eenzame berkjes en denk hoe ik het moet zeggen, hoe moet ik het zeggen dat, ik ben weer gelukkig, weer net zo alleen als vroeger, ik verlangde, en wist niet naar wie. Ze
had geen gezicht nog, geen haar en geen handen, ze was altijd een ander, ze rook zo dichtbij maar zo vreemd, als jij nu. Wie ben je, zeg ik, we hebben
samen een leven al achter de rug en nog moet ik denken, liefste wie ben je. Ze neemt mijn hoofd in haar handen en strijkt het haar uit mijn gezicht.
In deze bundel zijn de volgende gedichten opgenomen: Een middag op het land, Portret, In memoriam J.J. Slauerhoff, Portret met bruid en bruidegom, Portret met asperges, Portret met hond, Zelfportret, Water, Paarden, Hen, Dieren, Schapen, Over een dorp, De plek, Dankzij de dingen, Over een glas, In Groningen
In Groningen
Je bent in Groningen, maar hier ben je dat niet, dit is een onbekende plek, dit is een gedicht in deze stad
waarin je al die jaren kwam en ging, door altijd zon, altijd regen, altijd wind, totdat je hier stond, en dit las.
Je kwam en gaat weer weg, ook nu. Zo zal het blijven tussen ons, ik ben een onbekende plek.